Moord is de meest extreme en onethische daad die een mens kan begaan, omdat het de fundamentele verbondenheid tussen mensen negeert. Dit maakt het de meest directe aanval op de morele basis van menselijke interactie, waarbij de dader de intrinsieke waarde van het slachtoffer ontkent en zichzelf buiten de gezamenlijke ethische wetten plaatst. In het literaire werk Schuld en Boete van Fyodor Dostojevsky neemt de jonge Rodion Raskolnikov ons mee in zijn overtuiging dat bepaalde mensen boven de wetten van goed en kwaad staan. Zijn redenering volgt het volgende syllogisme:
Premisse 1: Er zijn bepaalde grote mensen, zoals Napoleon of andere historische figuren, die boven de moraal staan en grote daden verrichten voor het algemene welzijn.
Premisse 2: Ik ben een van deze grote mensen, met de capaciteiten en visie om boven de gewone moraal uit te stijgen.
Conclusie: Daarom heb ik het recht om een moord te plegen als het een groter goed dient.
Dit syllogisme is misleidend, omdat het uitgangspunt dat sommige mensen werkelijk boven de moraal staan, een misvatting is. Moraal is fundamenteel voor menselijke interactie en blijft altijd een bepalende factor, zelfs voor de zogenaamde 'grote' mensen. Het idee dat iemand onterecht boven de wet staat om zijn eigen doelen te bereiken, is een vertekende rationalisatie die de basis legt voor zijn gewelddadige daad. Raskolnikov’s filosofie leidt hem uiteindelijk naar de gewelddadige daad van moord, maar het is daarna zijn geweten dat hem tot het uiterste drijft in een onophoudelijke strijd tussen rationalisatie en schuld. Deze innerlijke strijd leidt uiteindelijk tot zijn persoonlijke destructie. Hij pleegt zelfmoord vanwege zijn onvermogen om zijn daden te rechtvaardigen.
Het verhaal van Raskolnikov benadrukt de noodzaak om een nieuw uitganspunt voor ethiek te formuleren. Bovendien kan het dienen als een voorbeeld van hoe het negeren van de onderlinge verbondenheid tussen mensen leidt tot destructieve gevolgen en zelfvernietiging. Zijn verhaal benadrukt de conflictueuze relatie tussen rationalisatie, schuld en de onvermijdelijke terugkeer van het geweten, wat een nieuwe ethische benadering oproept: een ethiek die is gebaseerd op het besef van de gemeenschappelijke oorsprong van alles wat bestaat. Het laat zien hoe het negeren van de gedeelde verbondenheid van alle mensen kan leiden tot gewelddadige handelingen, die uiteindelijk de dader zelf ook ten gronde richten.
Wanneer iemand een moord pleegt, is er vaak geen echte connectie met het slachtoffer. De persoon die de daad verricht, is zich niet bewust van de onderliggende bron die hen verbindt. Het ontbreken van een diepere, betekenisvolle verbinding maakt het mogelijk voor de pleger om zijn gruweldaad uit te voeren. Het ontbreken van interfererende 'vibes', die normaal gesproken een rol spelen in menselijke interacties, en het niet inzien dat 'alles wat is' intrinsiek dezelfde bron betreft, maakt het mogelijk om moord te plegen. Dit creëert een situatie waarin de pleger zich afsluit van een ethiek die is gebaseerd op het besef van onderlinge verbondenheid.
Het universele bewustzijn wordt door ieder mens getransformeerd naar een uniek persoonlijk bewustzijn. Wanneer men in staat is om vanuit dit besef naar het leven te kijken, ontstaat er vanzelf de bewustzijnsethiek waar ik over spreek. Als ik de complexe duiding van Levinas afpel, zijn het de resonerende vibes die ontstaan door het 'gelaat van de ander', die leiden tot het respect voor het leven van de ander. Zonder deze resonantie wordt het makkelijker om de daad van moord te rationaliseren en te rechtvaardigen, aangezien de pleger geen innerlijke erkenning heeft van de gedeelde oorsprong van alles wat is, namelijk het universele bewustzijn. De dader ziet zichzelf als een individu die buiten de moraal staat en beschouwt de ander onterecht als minderwaardig. Deze afwezigheid van verbinding ondermijnt het fundament van menselijke interactie en moreel besef. Door deze miskenning van de onderlinge verbondenheid blijft hij blind voor de werkelijke betekenis van zijn daad.
De natuur is eveneens een manifestatie van dit universele bewustzijn, wat ons ertoe zou moeten aanzetten om veel respectvoller met ons milieu en de aarde om te gaan.
De bewustzijnsethiek wordt in onderstaand syllogisme gevangen, gebaseerd op het idee dat alles wat bestaat een manifestatie is van het universele bewustzijn. Het besef van deze onderlinge verbondenheid leidt tot respect voor het leven in al zijn vormen.
Premisse 1: Alles is een manifestatie van het universele bewustzijn, zoals het taoïsme en andere stromingen benadrukken.
Verantwoording: Het taoïsme leert dat alles in het universum onlosmakelijk verbonden is door dezelfde vitale energie, wat het idee van een gedeeld universeel bewustzijn ondersteunt.
Premisse 2: Het bewustzijn van deze onderlinge verbondenheid roept respect op voor het gelijke.
Verantwoording: Het besef van de gedeelde oorsprong leidt automatisch tot respect voor het leven van anderen en de natuur, aangezien we ons realiseren dat alles met elkaar verbonden is.
Conclusie: Het besef van deze verbondenheid leidt tot een ethiek die respect voor het leven centraal stelt.
In deze ethiek is het besef van de onderlinge verbondenheid van alles wat bestaat de sleutel tot het ontwikkelen van een diep respect voor het leven. Het gaat verder dan persoonlijke belangen en nodigt uit tot een holistisch begrip van moraal, waarin de natuur in al haar vormen een onlosmakelijk deel uitmaakt van deze ethische benadering.
Hoewel dit syllogisme niet wetenschappelijk toetsbaar is, biedt het een filosofische benadering die uitnodigt tot reflectie en interpretatie. Het is gebaseerd op spirituele en metafysische overtuigingen die moeilijk empirisch te verifiëren zijn. In dit geval biedt het syllogisme een model voor ethiek gebaseerd op verbondenheid, maar het vormt geen objectief bewijs en is niet falsifieerbaar.
Comments